Angiografie is een techniek waarmee de radioloog een afbeelding van de bloedvaten van het lichaam kan maken.
Na een verdovingsprik in de lies, wordt op die plaats de slagader aangeprikt. Door de naald wordt dan een zogenaamde voerdraad geschoven. Dit is een dun en flexibel metalen of kunststof draadje. Hierna wordt een heel dun slangetje, een zogenaamde katheter, over de voerdraad naar de juiste plaats in één van de bloedvaten geschoven. Dit gebeurt allemaal onder röntgendoorlichting hetgeen betekent dat met een röntgenapparaat bewegende beelden kunnen worden weergegeven.
Via de katheter wordt vervolgens een contrastvloeistof in de bloedbaan gespoten en worden er tegelijkertijd foto's gemaakt. Deze contrastvloeistof bevat jodium waardoor de röntgenstralen worden tegengehouden en er dus een afbeelding van de bloedvaten ontstaat. Na afloop van het onderzoek wordt de katheter uit de slagader in de lies verwijderd en deze wordt ongeveer tien minuten stevig dichtgedrukt.
In vergelijking tot MRI en CT
Op dit moment is het gebruik van de MRI- en CT-scanners voor het afbeelden van bloedvaten steeds meer in opkomst. Er worden dan geen katheters meer gebruikt. In plaats daarvan wordt contrastmiddel via een infuus in de arm ingebracht. Het onderzoek is voor patiënten minder belastend en men is direct na het onderzoek weer mobiel.
Om te dotteren (ook wel percutane transluminale angioplastiek of PTA genoemd) uit te voeren zijn CT en MRI echter (nog) niet geschikt.