De afkorting MS staat voor multiple sclerose. Het woord sclerose slaat op het littekenweefsel dat tijdens de ziekte ontstaat, op verschillende plekken in het lichaam (‘multiple’ betekent 'meerdere').
MS is een aandoening van het centrale zenuwstelsel. Dit bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Vanuit dit centrale zenuwstelsel lopen zenuwen naar alle delen van het lichaam. Deze vormen het perifere zenuwstelsel. Het zenuwstelsel heeft drie belangrijke functies:
Bij MS treden in het omhulsel rond de zenuwbanen op verschillende plekken ontstekingen op (myeline). Die veroorzaken terugkerende klachten. In een later stadium van de ziekte ontstaan op de plaats van deze ontstekingen littekens.
MS vaststellen is moeilijk. Het kan lang duren voordat de diagnose definitief is. In het beginstadium van de ziekte zijn de klachten vaak erg vaag en wisselend aanwezig. Bovendien kunnen de meeste ziekteverschijnselen van MS, ook bij andere ziekten voorkomen. Als het vermoeden bestaat dat klachten samenhangen met MS, zijn aanvullende onderzoeken nodig, zoals:
Behandelen van MS
MS zelf is niet te behandelen. Wel zijn er inmiddels medicijnen die het verloop van de ziekte gunstig lijken te beïnvloeden (interferon en Copaxone). De meeste verschijnselen van MS zijn redelijk te behandelen met medicijnen.
MS is zo grillig en kan zich in zoveel verschillende vormen manifesteren, dat er geen 'standaardbehandeling' mogelijk is. Met elke patiënt wordt in overleg met de behandelend neuroloog een individueel behandelplan afgesproken.
Het is raadzaam om al in het beginstadium van de ziekte contact te zoeken met een revalidatiearts. Samen met de neuroloog kan deze beoordelen of een vervolgbehandeling nuttig is. Dat kan bij het revalidatiecentrum, of bij paramedici zoals een fysiotherapeut of ergotherapeut. Revalidatie kan zowel poliklinisch (een aantal dagdelen per week) als klinisch (met tijdelijke opname in het revalidatiecentrum).