Meer dan één miljoen mensen in Nederland gebruiken bloedverdunners. Deze zogenoemde antistollingsmiddelen verkleinen het risico op onder meer trombose, een herseninfarct en een hartinfarct. Als deze patiënten een operatie ondergaan, moeten zij vaak tijdelijk stoppen met deze medicatie om risico’s op bloedingen te verminderen. Antistollingsconsulenten Petra Vermeulen en Danick Werner helpen patiënten die hier vragen over hebben. Ook ondersteunen zij artsen met specifiek advies over antistollingsmiddelen. ‘Zo gaan alle patiënten goed voorbereid de operatiekamer in en kan de operatie doorgaan zoals gepland.’
Betere afspraken
In het verleden ging dit niet altijd goed, weet Petra. ‘Ziekenhuizen hanteerden veel verschillende protocollen voor antistolling. Daarnaast waren de afspraken niet altijd duidelijk genoeg voor patiënten. Zo kon het gebeuren dat patiënten zich meldden voor hun operatie en dat bij de laatste check bleek dat ze hun bloedverdunners waren blijven gebruiken. Dan kon de operatie niet doorgaan en moest de patiënt onverrichterzake terug naar huis, terwijl die al van alles geregeld had. We hebben daar in Amphia de afgelopen jaren betere afspraken over gemaakt.’
'Dat deze nieuwe inrichting werkt, blijkt wel uit de meest recente cijfers: in 99% van de gevallen wordt het geldende protocol gevolgd. Enkele jaren geleden lag dat percentage nog op 56%'
Eén protocol voor het hele ziekenhuis
Danick: ‘Goede, eenduidige afspraken over het gebruik van antistollingsmiddelen zijn cruciaal. De behandelend arts maakt een afweging tussen het risico op bloedingen tijdens en na de operatie en het risico op trombose door het tijdelijk stoppen met de medicatie. Sinds 2017 hebben we voor het hele ziekenhuis één protocol ontwikkeld voor het perioperatief beleid bij het gebruik van antistollingsmiddelen. Dat is in overleg met alle specialismen tot stand gekomen. Iedere vakgroep heeft voor een groot deel van de ingrepen het bloedingsrisico vastgesteld: hoog, gemiddeld of laag. Iedere arts gebruikt daardoor dezelfde basis, waar hij of zij uiteraard altijd gemotiveerd van mag afwijken.’
Maximale ondersteuning
Petra: ‘Het elektronisch patiëntendossier (EPD) is hier inmiddels op aangepast, zodat het artsen zo goed mogelijk ondersteunt bij het nemen van de juiste beslissing op het gebied van antistollingsmiddelen rondom ingrepen. De beslisondersteuner maakt gebruik van de gegevens in het EPD. En bij complexe casuïstiek kunnen artsen altijd een van ons raadplegen. Daarnaast hebben we subsidie gekregen van het ministerie van VWS om dit proces goed in te kunnen richten. Ook de ondersteuning en het vertrouwen vanuit de Raad van Bestuur en het Medisch-Specialistisch Bedrijf (MSB-A) was onmisbaar.’
Klinkende resultaten
Danick: ‘Dat deze nieuwe inrichting werkt, blijkt wel uit de meest recente cijfers: in 99% van de gevallen wordt het geldende protocol gevolgd. Enkele jaren geleden lag dat percentage nog op 56%. In 22% van de gevallen wordt het antistollingsbeleid door de antistollingsconsulenten opgesteld of aangepast. We hebben daarnaast onderzoek gedaan onder onze patiënten: hoe ervaren zij dit proces in de praktijk? Op basis van hun feedback hebben we onze werkwijze verder verbeterd.’
'Dankzij een update van het EPD wordt het voor artsen nog makkelijker om het antistollingsbeleid goed vast te leggen. Daarnaast automatiseren we de communicatie met huisartsen, apotheken en trombosediensten.'
Betere communicatie
Petra: ‘Patiënten blijken vaak dezelfde vragen te hebben. Daarom hebben we onze communicatie verbeterd. Patiënten krijgen nu één week vóór hun operatie alle informatie over het afgesproken antistollingsbeleid. Deze informatie sturen we toe via het medium van hun voorkeur: MijnAmphia, een e-mail of een brief. Waar nodig bellen we mensen na om te checken of ze alles hebben ontvangen en begrepen. Bijvoorbeeld als we zien dat het digitale bericht nog niet gelezen is. Zo hebben we samen gezorgd voor een aanzienlijke daling van het aantal operaties dat op het laatste moment niet door kan gaan. Ook de informatie aan ketenpartners is verbeterd. Denk aan: de huisarts, de apotheek en de trombosedienst.’
Meer afspraken maken
Hoewel hun inzet al tot aanzienlijke verbeteringen heeft geleid, zetten de antistollingsconsulenten nog meer stappen. Danick: ‘Na de operaties en de ingrepen bij het Endoscopiecentrum maken we in een volgende fase afspraken over de poliklinische ingrepen, dagbehandelingen en radiologische onderzoeken. Ook daar willen we komen tot eenduidige afspraken over het antistollingsprotocol.’
Verder automatiseren
Petra: ‘We gaan ook verder met automatiseren. Dankzij een update van het EPD wordt het voor artsen nog makkelijker om het antistollingsbeleid goed vast te leggen. Daarnaast automatiseren we de communicatie met huisartsen, apotheken en trombosediensten. Daardoor kunnen onze artsen bijvoorbeeld via het EPD de meest recente gegevens van de trombosedienst inzien. Ook beschikken we via het Landelijk Schakelpunt (LSP) over actuele informatie over de antistollingsmedicatie die patiënten thuis gebruiken. Zo blijven we de komende jaren met elkaar stappen zetten naar nóg meer veiligheid en kwaliteit van zorg voor onze patiënten.’